Bio

Wie ben ik?

In een notendop: ik ben germanist van opleiding, en heb bijna 30 jaar bij de openbare omroep gewerkt. Ben er in de loop van de jaren het gezicht-van-de-politiek-op-tv geworden, via talloze programma’s in en buiten verkiezingstijd.

Maar dat weten de meeste mensen wel, en mijn factualia staan ook op andere plaatsen op het net.

Daarom is een biografie-met-commentaar allicht leuker en interessanter. Eigenlijk mijn verhaal.

 

MIJN KINDERJAREN

Ik ben geboren in Gent op 21 februari 1953. Mijn kindertijd heeft zich afgespeeld in Oostakker, tot de fusie met Gent in de jaren 70, een zelfstandige gemeente.

Ik heb nog behoorlijk scherpe herinneringen aan Oostakker, tot midden de jaren 60 een dorp-op-de-buiten. De booming sixties, dat was in Oostakker de komst van Volvo, Texaco, Sidmar, de Kennedybaan. De vooruitgang, de industrialisering, de verstedelijking, de welvaartsstaat, en dat liep allemaal niet zonder slag of stoot. Geregeld hing er bijvoorbeeld een bepaald hinderlijke geur. Maar toen – als ik mij goed herinner – ook de schoenmaker op de televisie zei dat het stonk in Oostakker, kreeg hij het hele dorp over zich. Niet dat het niet waar was wat hij zei, maar hij had dat niet mogen zeggen…

Zoals alle jongens ging ook ik naar de gemeenteschool. Officieel onderwijs, maar toen de facto katholiek. Een jaar te vroeg zat ik, dan konden ze twee klasjes maken. En ik zou wel heel goed meekunnen… Dat was ook zo. Zij het dat het wat minder was op de speelplaats. De gebruiken onder de jongens van de gemeenteschool waren nogal ruw toen, en fysieke kracht was van tel…

In het derde studiejaar zat ik bij meester Vlieghe. De man had een alcoholprobleem, maar dat was verder geen punt. Meester Vlieghe was vrijgezel en las altijd, en vertelde over de boeken die hij had gelezen. Ik heb er de liefde voor het goede verhaal aan overgehouden.

In het vierde studiejaar was meester De Roo uitgesproken katholiek en Belgicist. Als lid van de kerkfabriek was de man ook bijzonder strikt als het op de kennis van de catechismus aankwam. Het was elk jaar het vierde dat op de prijsuitdeling de Brabançonne zong. Ik ken de tekst nog.

In het vijfde was de meester een flamingant. Hij leerde ons ABN. Er is geen andere keuze, ABN is onze leuze. Hij leerde ons ook de Vlaamse liederen. En hij werd tot tranen toe bewogen als we Klokke Roeland zongen. Vooral bij Maar soms hij rilt, en eensklaps gilt zijn bronzen stemme door de stede zong meester Rijckaert heel luid en indrukwekkend overtuigd. Op de prijsuitdeling mocht ik met een viertal andere jongens meespelen in een door de meester zelfgeschreven tekst over de schoonheid van de taal. En er ging een kleine schokgolf door de zaal als dat besloten werd door De Vlaamse Leeuw. Op de eerste rij zaten de burgemeester en de pastoor: de eerste was niet zo gelukkig; de tweede bepaald wel. Pastoors droegen toen een soutane. De mis was in het Latijn. Het was het rijke Roomse leven…

Het zesde leerjaar was de klas van meester Verfaillie. Het zesde speelde op de prijsuitdeling altijd het stukske. Toneel dus. Een verhaal over Jan Klaassen en de duivel. Ik was Jan Klaassen. Goede middag, allemaal samen. Ik ben Jan Klaassen. Dat waren mijn eerste woorden.

Toen ik later wel honderden keren bij het begin van een programma Goede Morgen, Goede Avond moest zeggen, heb ik daar telkens aan teruggedacht.

 

MIJN JEUGD

Het zevende studiejaar lijkt me aangewezen, zei E.H. Beghijn. Hij droeg een zwart pak, met Romeinse boord. En aldus geschiedde. Wie van de buiten kwam kon niet zomaar van het zesde studiejaar naar de humaniora, zeker niet de Latijnse. Het was allicht een manier om een jaar meer de kassa te kunnen laten rinkelen, maar niemand die daar toen opkwam.

Het zevende studiejaar dus. Waar je niets nieuws leerde, behalve zeden en gebruiken op het Sint-Lievenscollege: het gebed voor en na, de misvieringen, de biecht.

Ik heb wel het geluk dat ik kan zingen, en noten kan lezen. Daardoor word ik ingelijfd bij de Schola Cantorum Gandavensis, het koor dat op de feestdagen de diensten in de Gentse Sint-Baafskathedraal opluistert. Maar uit dat groot koor worden er ook een 25-tal jongens gekozen, de elite, de spitsen, met goede stemmen, die min of meer van blad kunnen zingen; de gregorianen. Die zingen ongeveer altijd. Alle dagen minstens een uur of twee. Een levenslange verslaving aan de Romeinse ritus is daarvan het gevolg. Ik ga vaak naar Rome, en dat is ook om er onder te dompelen in de Latijnse teksten, de symbolen, de geur van wierook, de pracht en de praal. Ik ben atheïst, maar dat heeft daar niets mee van doen.

Het zijn, ondanks het keiharde regime, zeer mooie jaren bij de gregorianen. Muziek wordt vanaf dan mijn eeuwige liefde. We zingen niet alleen in Gent; we touren ook. Ik zit de allereerste keer in een vliegtuig dat naar Rome gaat. We mogen zingen voor de paus. Paulus VI spreekt ons toe. ‘Vous chantez bien parceque vous aimez tant le Christ,’ zegt hij. En het valt mij op dat hij spreekt alsof hij een duizendkoppige menigte toespreekt op het Sint-Pietersplein. En de duizendkoppige menigte, dat is ook wat religiespecialist Julien Peeters op de BRT altijd zegt als hij verslag brengt vanuit Rome. Hij heeft het trouwens altijd over de Heilige Vader als hij over de paus spreekt. Het pluralisme bestaat in Vlaanderen op papier; in de praktijk is er niemand die aanstoot neemt aan dat gekleurd taalgebruik.

Het Sint-Lievenscollege is een grote school. In de beginjaren vind ik er mijn draai niet, maar ik overleef het. En vanaf het derde jaar zijn er ook een paar leraren waaraan ik me kan optrekken. Prachtige, gedreven lesgevers. Dat is voldoende om ook hun collega’s dommeriken en ambetanteriken te overleven.

Van die laatste soort leer ik hoe je omgaat met mensen met macht waartegen je niets kan doen. Dat is een nuttige les. Van het eerste soort leer ik duizend-en-één dingen. Het leven, de taal, de letteren, de geschiedenis, de kunsten. Ik doe Latijn-Griekse. Veel positieve wetenschappen of wiskunde is aan mij niet besteed. Anders dan op de universiteit haal ik zeer matige cijfers: tussen 55 en 68%. Maar nooit een herexamen gehad.

Mijn allerbeste leraar is hors discussion de klastitularis in de rethorica Gerard Vandenhaute. De vader van Wouter van Woestijnvis. Hij leert mij zelf te denken, en liefst zelfs buiten de lijntjes, en daar ook iets mee te doen. Hij geeft Nederlands, Engels, Duits, esthetica, maar lapt het voorgeschreven programma aan zijn laars. Hij geeft zichzelf, in één niet aflatende creatieve geut. Ik zal hem tot mijn laatste dag dankbaar zijn.

In het laatste jaar van de humaniora wil ik eigenlijk Gerard worden, en dus wil ik Germaanse doen. Maar Gerard overtuigt mij dat niet te doen, met een argument dat altijd werkt: daar ben jij te slim voor. Hij raadt me aan rechten te doen. Ik doe dat, maar misluk. Op het examen zegt professor Delva: u verprutst uw intelligentie met dwaze bezigheden. Hij wist het dus…

Want vanaf mijn zestiende heb ik ook een bij-baantje. Ik word opgenomen in de op dat moment niet te stuiten opgang van de Vlaamse kleinkunst. Samen met mijn klasgenoot Luc Braeckman vorm ik een duo. In het begin onder de naam Lusiefried (vanwege de connotatie met Lucifer). Het prille begin ervan is te zoeken in de jeugdmissen op het college, maar we maken al snel ook eigen liedjes. En warempel, in alle dorpen in Vlaanderen is er wel een schuur of een zolder die vanaf nu kleinkunst als voorvoegsel krijgt. Ik heb daardoor niet al te veel tijd voor de school.

We treden zeer geregeld op. In het voorprogramma van Miel Cools, de Elegasten, de Vaganten, Jan De Wilde. Vaak staan ook Wim De Craene en Chris Van den Wyngaert in dat voorprogramma. Elk optreden is misschien niet geslaagd, maar het eindigt wel altijd in een feest. Wijntje en trijntje. Ze maken ons zo zot, meneer…

Gek genoeg haak ik geestelijk af terwijl we bezig zijn aan enige opgang. Een gevolg vooral van het maken van een single. Lusiefried is intussen door de platenmaatschappij veranderd in Luc en Sieg. We moeten ook een liedje zingen waar we niets mee te maken hebben, en dat komt op de A-kant, maar het is de B-kant die geregeld op de radio wordt gespeeld.

Ik voel dat dat allemaal niet goed zit. Het is mijn wereld niet. Ik heb het gehad. Dank u wel. Op naar de Germaanse.

Engels was toen nog een vreemde taal. We hadden er even veel van gekregen als van Duits. Eén uurtje per week, de laatste drie jaar van de humaniora… Dat laat zich voelen. De eerste les van prof. Derolez, Engelse Taalkunde. Ik begrijp volstrekt niet waarover de man het heeft. De combinatie van zijn RP – Right Pronunciation, zijn nogal warrige geest en onvoldoende voorbereiding, en mijn totale onkunde. Derolez spreekt Engels zoals destijds de Britse premier Edward Heath en zoals prins Charles. Later leer ik dat zoiets ‘ de aspiratorische uitspraak’ wordt genoemd, waarbij een laatste beetje lucht in de longen mede wordt gebruikt voor de eindklank.

En professor Schrickx van Engelse literatuur spreekt eigenlijk twee wereldtalen tegelijk: Antwerps en Engels. Op het einde van elke les (of wat daarvoor moest doorgaan…) moet er voorgelezen worden, wat Schrickx overigens zelf voortreffelijk kan. Maar voor ons is het een zwaard van Damocles dat onfortuinlijk op onze hoofden kan terechtkomen. “Read, Mr Pylyser [‘pailaizƏ]!” De jongen die een paar banken verder zit schrikt zich rot. Hij kent zichzelf alleen als Pylyser, op zijn West-Vlaams, [‘pilizƏr]. Hij komt niet verder dan een tiental keer ‘Est oa mien?’ te stamelen. Schrickx noteert zijn afwezigheid en gaat naar een volgende prooi. Dat eindigt op de in zeer Antwerps-Nederlands geformuleerde opmerking: juffrouw, er zijn ook nog goede avondscholen. Een variant was: I think I’m going to be a member of AMADA: Alle Macht Aan De Avondscholen.

Voor Nederlandse Taalkunde krijgen we de zeer hard werkende prof. Valeer Frits Vanacker. De man leert ons echt de stiel: kijken met verwondering naar het fantastisch instrument dat de taal is. Dus niet alleen WAT er wordt gezegd, maar ook HOE het wordt gezegd. (Ik geniet daar nog elke dag van) Vanacker leert ons ook in de geschiedenis te kijken. Hij is gespecialiseerd in de syntaxis van het Aalsters gesproken dialect uit de 15de, 16de en 17de eeuw. Ik ben hem dankbaar om die vele Middelnederlandse procesteksten.

Voor de Nederlandse literatuur is er een duo: prof. Antonin Van Elslander en prof. Ada Deprez, twee vrijgezellen. Van Elslander is de liefste mens ooit. Hij heeft een groot huis in Sint-Amandsberg, vol boeken en platen. Hij spendeert zijn avonden al lezend, of luisterend naar muziek, met de koptelefoon op het hoofd (‘om de buren niet te storen’); hij eet drie cha-cha’s en drinkt een fles champagne. Hij heeft een zwakke gezondheid. Ook in volle zomer draagt hij een sjaal en een muts. Hij rijdt met Citroën DS.

Prof. Deprez is 18 in 1946. Haar vader is flamingant, en ja… Ze doet, wordt verteld, jarenlang een krantenronde, en ze spaart om Germaanse te kunnen gaan doen. Ze heeft goede redenen om zich te specialiseren in de Vlaamse Beweging. Ze moet het vooral hebben van ijver en volhouden. Getuige haar verzameling Bouwstoffen voor de geschiedenis van de Vlaamse literatuur in de negentiende eeuw. Maar liefst 38 boekdelen, die kennelijk nog moesten worden aangevuld met meerdere delen Hoofdstukken uit de geschiedenis van de Vlaamse letterkunde in de negentiende eeuw.

Door toeval en door mijn onwaarschijnlijke nieuwsgierigheid schrijf ook ik een licentiaatsverhandeling over de vroege Vlaamse Beweging, meer bepaald over Prudens Van Duyse (1804-1859). Ik leer er dat niets is wat het lijkt, zelfs als het geschreven staat. In alle naslagwerken staat dat Van Duyse bij de Belgische Omwenteling in 1830 afreist naar het Noorden omdat hij als orangist niet kan leven met de opkomende nieuwe staat. De werkelijkheid is dat hij vlucht voor de toorn van zijn vader, want hij heeft een affaire met een Hollandse dame die ruim twintig jaar ouder is.

Na de vier jaar Germaanse heb ik de wetenschappelijke arbeid nog voortgezet. Maar toen ik een lezing mocht geven in de Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, stond het vast: deze gouden kooi was niet voor mij gemaakt. Jaren later – ik had net heel veel verkiezingsprogramma’s gemaakt - kom ik Ada Deprez tegen in een restaurant; zij alleen, ik met mijn kinderen. Het gaat over wat ik zo al niet had kunnen zijn, maar, zegt Ada, “jullie vader heeft helaas gekozen voor het circus der lichtgewichten”. Mijn kinderen vonden dat bijzonder geestig.

We zijn in de Germaanse begonnen met zijn vierhonderd. We krijgen in twee talen de fysiologie van het spraakorgaan (een echt vernuftig en ingewikkeld systeem), talloze encyclopedieën (die van de taalkunde begint bij de Glossen op de Codex Alexandrinus en eindigt met Noam Chomsky), Hadewych, de Weerliicke liefden tot Roose-mond van Justus de Harduwijn, jonker Jan Van der Noot, het neorealisme in Vlaanderen, Ibsen, Shakespeare, Milton, Donne, het Absurd Theater, de Transformationele Generatieve Grammatica en de gewone grammatica van prof. Paardekooper, eindeloze lijsten Zeg niet A maar B, fonologie, fonetica, … Het gaat er allemaal in. Aan de eindmeet schieten er nog een kleine 100 over.

Los daarvan heb ik in de Germaanse ook van alles geleerd dat niets met de filologie van doen heeft. Laat ons zeggen int vroede, int sotte ende in tamoureuze, zoals de Rederijkers dat zeiden. Ik weid hierover niet uit, maar vind wel dat wij daarvoor de tijd kregen. Ik heb bij mijn eigen kinderen gezien dat dat vandaag niet meer zo is. Er is constante grote druk op universiteitsstudenten. En wat ze moeten studeren is én meer én moeilijker, al gebiedt de waarheid mij ook te zeggen dat de kwaliteit van de opleidingen er geweldig is op vooruitgegaan.

Nog iets. Ik heb aan de universiteit voor de eerste keer meegedaan aan verkiezingen. En gewonnen: verkozen in de faculteitsraad met de meeste stemmen. Een goede leerschool was dat. Ik denk aan die keer dat ik wat professor A zei over professor B voor waar had aangenomen, daar vervolgens een vlammende tussenkomst van maakte en op slag het hele corps over mij heen kreeg. En bij het volgende punt kwam professor A naast mij zitten en zei: ‘Toch een uitstekende tussenkomst!’ Ik heb dat systeem pas enige jaren later begrepen.

Ik heb ook heel kort lesgegeven. Ik deed dat graag. Naar het schijnt deed ik dat ook goed. Bij mijn sollicitatiegesprek in de Sint-Jan-Berchmans-normaalschool van de Broeders van Oostakker zei ik aan de broeder directeur, toen ik voelde dat ik virtueel aangenomen was, dat ik eerlijk wou zijn. Ik zei hem dat ik niet geloofde in het bestaan van God. Dan hebben we exact hetzelfde probleem, zei de man, maar we houden dat onder ons, het is zo al lastig genoeg. Ge kunt morgen beginnen.

Ik weet niet waarom eigenlijk, maar ik deed in die tijd bijna systematisch mee aan allerlei examens. En ik slaagde meestal, maar deed daar vervolgens niets mee. Meestal, want er is één plaats waar ik NIET de eindmeet haalde: in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. We moesten daar in de derde ronde (al die examens waren hetzelfde: een afvallingskoers in zoveel rondes) een samenvatting maken van een parlementaire toespraak. Ik vatte dat samen in een vijftal regeltjes. Dat had minstens een volle bladzijde moeten zijn, zei men mij nadien. Ik vond dat de man in kwestie te weinig had gezegd om een volle bladzijde mee te vullen. Maar ik was dus wel gezakt. Nu ben ik er Voorzitter.

Het examen op de BRT was meer van hetzelfde. En daar was ik echt té nieuwsgierig om niet aan de stage te beginnen. Al was dat begin op de nieuwsdienst niet echt een feestje. Wie daar begon passeerde sowieso wekenlang op de radio en ging door de handen van Jan Robberecht. Jan was vóór hij bij de BRT was, officier geweest in het leger, en dat was er in alle opzichten aan te zien, te horen en te voelen. Onze uitgebreide opleiding – we waren met zijn 12’en: onder meer Louis Van Dievel, Johan Ral, Siel Vanderdonckt en Reddy De Mey waren toen mijn lotgenoten – was helemaal army method. Afbreken en vernietigen tot op de grond, roepen en tieren, vernedering en verwijt, dat was er allemaal. En als het u niet aanstaat, niemand dwingt u om journalist te zijn, er is ook nog ander werk.

Maar om heel eerlijk te zijn: dat werkte wel. We kwamen getraind in de ether. Je had geleerd wat nieuws was, en welke regels je moest volgen om dat nieuws bij de mensen te brengen. Ik zie en hoor (veel te vaak eigenlijk) fouten die de leerlingen van Jan Robberecht nooit zouden hebben gemaakt. Niet dat het vroeger beter was, godbetert nee, maar goede en grondige opleiding, de stiel leren, het is goud waard.

De stage duurde 18 maanden. Van de 12 stagiairs haalden er 10 de eindmeet. En ik heb chance. In augustus 1984 vergaat voor de kust van Oostende de Mont Louis, een vrachtschip met aan boord zes vaten radioactief en uiterst giftig uraniumhexafluoride. Omdat bij de vastbenoemde journalisten dat niemand de moeite vindt, zenden ze maar een stagiair. Het verhaal duurt weken.

En ik heb twee keer geluk: ongeveer elke keer als ik de bevoegde staatssecretaris iets vraag, krijg ik een antwoord dat achteraf niet blijkt te kloppen. Het wordt spektakel. Tegen de tijd dat de vaten worden geborgen, komt er vanuit Brussel een vastbenoemde journalist om de zaak over te nemen. Te laat. Enige maanden later win ik de Prijs voor de Vlaamse Journalistiek. Ik was vertrokken. The rest is history.