Siegfried Bracke

Wie ben ik?

In een notendop: ik ben 57, germanist van opleiding, en heb bijna 30 jaar bij de openbare omroep gewerkt. Ben er in de loop van de jaren het gezicht-van-de-politiek-op-tv geworden, via talloze programma’s in en buiten verkiezingstijd.

Maar dat weten de meeste mensen wel, en mijn biografie staat ook op andere plaatsen op het net.

Daarom is een biografie-met-commentaar allicht leuker en interessanter. Eigenlijk mijn verhaal, in plaats van mijn factualia.

Ik zal voortaan alle verloren momenten gebruiken om dat verhaal verder uit te schrijven…

MIJN KINDERJAREN

Ik ben geboren in Gent op 21 februari 1953. Mijn kindertijd heeft zich afgespeeld in Oostakker, tot de fusie met Gent in de jaren 70, een zelfstandige gemeente.

Ik heb nog behoorlijk scherpe herinneringen aan Oostakker, tot midden de jaren 60 een dorp-op-de-buiten. De booming sixties, dat was in Oostakker de komst van Volvo, Texaco, Sidmar, de Kennedybaan. De vooruitgang, de industrialisering, de verstedelijking, de welvaartsstaat, en dat liep allemaal niet zonder slag of stoot. Geregeld hing er bijvoorbeeld een bepaald hinderlijke geur. Maar toen – als ik mij goed herinner – ook de schoenmaker op de televisie zei dat het stonk in Oostakker, kreeg hij het hele dorp over zich. Niet dat het niet waar was wat hij zei, maar hij had dat niet mogen zeggen…

Zoals alle jongens ging ook ik naar de gemeenteschool. Officieel onderwijs, maar toen de facto katholiek. Een jaar te vroeg zat ik, dan konden ze twee klasjes maken. En ik zou wel heel goed meekunnen… Dat was ook zo. Zij het dat het wat minder was op de speelplaats. De gebruiken onder de jongens van de gemeenteschool waren nogal ruw toen, en fysieke kracht was van tel…

In het derde studiejaar zat ik bij meester Vlieghe. De man had een alcoholprobleem, maar dat was verder geen punt. Meester Vlieghe was vrijgezel en las altijd, en vertelde over de boeken die hij had gelezen. Ik heb er de liefde voor het goede verhaal aan overgehouden.

In het vierde studiejaar was meester De Roo uitgesproken katholiek en Belgicist. Als lid van de kerkfabriek was de man ook bijzonder strikt als het op de kennis van de catechismus aankwam. Het was elk jaar het vierde dat op de prijsuitdeling de Brabançonne zong. Ik ken de tekst nog.

In het vijfde was de meester een flamingant. Hij leerde ons ABN. Er is geen andere keuze, ABN is onze leuze. Hij leerde ons ook de Vlaamse liederen. En hij werd tot tranen toe bewogen als we Klokke Roeland zongen. Vooral bij Maar soms hij rilt, en eensklaps gilt zijn bronzen stemme door de stede zong meester Rijckaert heel luid en indrukwekkend overtuigd. Op de prijsuitdeling mocht ik met een viertal andere jongens meespelen in een door de meester zelfgeschreven tekst over de schoonheid van de taal. En er ging een kleine schokgolf door de zaal als dat besloten werd door De Vlaamse Leeuw. Op de eerste rij zaten de burgemeester en de pastoor: de eerste was niet zo gelukkig; de tweede bepaald wel. Pastoors droegen toen een soutane. De mis was in het Latijn. Het was het rijke Roomse leven…

Het zesde leerjaar was de klas van meester Verfaillie. Het zesde speelde op de prijsuitdeling altijd het stukske. Toneel dus. Een verhaal over Jan Klaassen en de duivel. Ik was Jan Klaassen. Goede middag, allemaal samen. Ik ben Jan Klaassen. Dat waren mijn eerste woorden.

Toen ik later wel honderden keren bij het begin van een programma Goede Morgen, Goede Avond  moest zeggen, heb ik daar telkens aan teruggedacht.    

MIJN JEUGD

Het zevende studiejaar lijkt me aangewezen, zei E.H. Beghijn. Hij droeg een zwart pak, met Romeinse boord. En aldus geschiedde. Wie van de buiten kwam kon niet zomaar van het zesde studiejaar naar de humaniora, zeker niet de Latijnse. Het was allicht een manier om een jaar meer de kassa te kunnen laten rinkelen, maar niemand die daar toen opkwam.

Het zevende studiejaar dus. Waar je niets nieuws leerde, behalve zeden en gebruiken op het Sint-Lievenscollege: het gebed voor en na, de misvieringen, de biecht.

Ik heb wel het geluk dat ik kan zingen, en noten kan lezen. Daardoor word ik ingelijfd  bij de Schola Cantorum Gandavensis, het koor dat op de feestdagen de diensten in de Gentse Sint-Baafskathedraal opluistert. Maar uit dat  groot  koor worden er ook een 25-tal jongens gekozen met goede stemmen die min of meer van blad kunnen zingen; de gregorianen. Die zingen ongeveer altijd. Alle dagen minstens een uur of twee.

Het zijn, ondanks het keiharde regime,  zeer mooie jaren. Muziek wordt vanaf nu mijn eeuwige liefde. We zingen niet alleen in Gent; we touren ook. Ik zit de allereerste keer in een vliegtuig dat naar Rome gaat. We mogen zingen voor de paus. Paulus VI spreekt ons toe. ‘Vous chantez bien parceque vous aimez tant le Christ,’ zegt hij. En het valt mij op dat hij spreekt alsof hij een duizendkoppige menigte toespreekt op het Sint-Pietersplein. En de duizendkoppige menigte, dat is ook wat religiespecialist  Julien Peeters op de BRT altijd zegt als hij verslag brengt vanuit Rome. Hij heeft het trouwens altijd over de Heilige Vader als hij over de paus spreekt. Het pluralisme bestaat in Vlaanderen op papier; in de praktijk is er niemand die aanstoot neemt aan dat gekleurd  taalgebruik.

Het Sint-Lievenscollege is een grote school. In de beginjaren vind ik er mijn draai niet, maar ik overleef het. En vanaf het derde jaar zijn er ook een paar leraren waaraan ik me kan optrekken. Prachtige, gedreven lesgevers. Dat is voldoende om ook hun collega’s dommeriken en ambetanteriken te overleven.

Van die laatste soort leer ik hoe je omgaat met mensen met macht waartegen je niets kan doen. Dat is een nuttige les. Van het eerste soort leer ik duizend-en-één dingen. Het leven, de taal, de letteren, de geschiedenis, de kunsten. Ik doe Latijn-Griekse. Veel positieve wetenschappen of wiskunde is aan ons niet besteed.

De allerbeste van hen is hors discussion Gerard Vandenhaute. De vader van Wouter van Woestijnvis. Hij leert mij zelf te denken, en liefst zelfs buiten de lijntjes, en daar ook iets mee te doen. Hij geeft Nederlands, Engels, Duits, esthetica, maar lapt het voorgeschreven programma aan zijn laars. Hij geeft zichzelf, in één niet aflatende creatieve geut. Ik zal hem tot mijn laatste dag dankbaar zijn.

Zoeken

In de kijker

Goed gedaan!

Links

Archief