Geil
29 maart 2010
Geschreven als wisselcolumn voor Dag Allemaal.
Ik heb het woord geil (volgens van Dale: een sterke geslachtsdrift voelend of opwekkend) leren kennen via de biecht. Het moet in het jaar 66 zijn geweest. Ik zat in de 5e Latijnse, het tweede jaar van de humaniora, want toen werd er afgeteld. Het was ook de tijd van de religieuze vernieuwing. Ik ben oud genoeg om nog te weten hoe het was toen pastoors rokken droegen, en de mis lazen in het Latijn, met de rug naar de mensen. Ik was toen misdienaar.
Maar heel snel veranderde toen alles. De soutane werd een gewoon pak; eerst nog met een Romeinse rechthoekige boord, maar ook die werd snel een gewone hemdsboord. De mis, waar we in het begin nog elke dag naartoe moesten, was plots in het Nederlands.
De moeilijkste vernieuwing is de biecht. Voor het Concilie moet je in de biechtstoel heel geregeld gaan zeggen wat je misdaan hebt; dagelijkse zonden, maar vooral de doodzonden. De biechtpraktijk wordt ook gecontroleerd: als het meer dan drie weken geleden is, krijg je de opmerking dat het… meer dan drie weken geleden is. Versta: het kan niet dat je in die drie weken niet één zonde hebt begaan… Maar ook de biecht moet eraan geloven, althans het meubel.
De priester-leraar die Latijn, Grieks, Nederlands en godsdienst geeft, zegt dat schuld belijden evengoed kan zonder biechtstoel; gewoon van man tot man, zegt hij, op de speelplaats of op mijn kamer.
Die middag klop ik aan. Binnen, zegt de andere kant. Ik duw de deur open en zie de man staan in zijn onderbroek en onderhemd. Kom maar binnen, zegt hij, zet u. Ik doe dat, en korte tijd later zit de man naast mij. Hij heeft intussen zijn broek aangetrokken, maar hij zit wel nog in zijn marcelleke. Hij zweet. Ik begin met Eerwaarde Vader, het doet mij leed…, de aangeleerde formule. Wat ik toen precies gezegd heb, weet ik niet meer. Maar ik herinner me wel dat hij mij plots onderbreekt en vraagt of ik al iets gevoeld heb. Ik weet op dat moment (nog) niet waarover hij het heeft, en ik probeer dat ook te zeggen. Maar hij glimlacht, zegt dat ik eerlijk mag zijn, en vraagt het nog eens. Wat bedoelt U,vraag ik. Hij begint nog harder te zweten, en zegt nadrukkelijk dat ik heel goed weet wat hij bedoelt. En als ik zeg dat ik echt niet weet waarover hij spreekt, briest hij: Geilaard, buiten ! Ik snel de kamer uit, en sta totaal verdwaasd op de gang. Het is de eerste keer in mijn leven dat ik denk dat mijn hart uit mijn lijf gaat springen.
Ik zeg niets, tegen niemand. In de les durf ik niet naar de leraar kijken. Ik moet ook niet antwoorden.
Thuis zoek ik geilaard op. Ik weet niet of dat met ei of ij is, ben zelfs niet zeker of dat met g of h is. Ik meen mij te herinneren dat bij geil in de van Dale van toen iets stond over vleselijke lusten… Ik begrijp er niets van.
Ik heb wel een probleem: ik heb geen vergiffenis gekregen. Ik ga de dag nadien opnieuw biechten. Ik zeg, zoals mij dat geleerd is, hoe lang het geleden is dat ik heb gebiecht. Twee dagen, zeg ik, maar er was toen sprake van onvolmaakt berouw, Eerwaarde Vader. Maar hij hoort het niet; ik denk niet dat hij luistert. Gelukkig, denk ik vandaag.
Tien jaar later lees ik, zoals elke dag, de overlijdensberichten in de kranten. De geilaard staat er bij, want het heeft de Heer behaagt zijn trouwe dienaar tot zich te roepen. Het schiet me dan te binnen: mijn laatste biecht is tien jaar geleden.
Siegfried Bracke
Over de kunst van het pirouettes draaien
22 maart 2010
Ik hoor het overal: politici zijn uiterst bekwaam in draaien en keren, zwart en wit tegelijk zeggen, enerzijdsanderzijds, pirouettes draaien.
Gisteren in De Zevende Dag, Wilfried Martens, over de in zijn ogen nodige hervorming van de monarchie. Martens wil minder koning maar pleit, zonder het met die woorden te zeggen, tegelijk voor het behoud van de macht van de koning. Tsjeverij en monarchie, het is niet hetzelfde, maar toch…
Wat anders te denken van volgende enerzijdsanderzijds. Martens vindt dat de koning geen speler kan zijn in ’s lands beleid. Hij mag niet langer de wetten bekrachtigen en afkondigen. Kwestie van nooit meer voor te hebben wat Boudewijn heeft gedaan met de abortuswet.
Maar Martens zegt anderzijds ook dat de koning in de regeringsvorming en bij politieke crisissen zijn rol moet behouden. Een rol die hij omschrijft als die van de scheidsrechter. En dat is straf.
Want als de koning échte macht heeft is het uitgerekend dan en daar. En die macht gebruikt hij ook. Eén voorbeeld. Begin jaren 90 krijgt Guy Verhofstadt zijn allereerste formatie-opdracht, en - toen ook al – hij probeert paars. Laken vindt een regering zonder christen-democraten onfatsoenlijk, en laat Verhofstadt gewoon tegen de muur lopen. De verklaring nadien van Herman Van Rompuy spreekt boekdelen: goed gespeeld van den Yp ! (Jacques van Ypersele de Strihou, de onverwoestbare kabinetschef van de koning)
Martens gebruikt politiek-pragmatische argumenten om die rol te behouden. Het land is verdeeld, de taalgroepen en de politieke partijen zijn verdeeld, het is zeer moeilijk om consensus of zelfs maar gewone akkoorden te bereiken. En feitelijk is Martens op dat punt niet tegen te spreken; vorige vrijdag is ‘de limiet van het federale overlegmodel’ met enige grandeur in het Egmontpaleis visueel voorgesteld.
Maar hoe kan uitgerekend de monarchie haar legitimering halen uit het feit dat het land anders niet meer te regeren valt? Volgens Martens kennelijk wel…
En dat is een vreemde, mijns inziens gevaarlijke redenering. Want als dat zo is, waarom laten we dan de koning en zijn vriend den Yp niet meteen ook beslissen over pensioenen, gezondheidszorg, werk, enz… Eigenlijk over alles wat zou moeten beslist worden, maar wat dus niet gebeurt, wat dus met de technieken die tientallen jaren lang hebben gefunctioneerd, niet meer kan.
Dan kan ook Yves Leterme verderwerken aan… Ja, waaraan eigenlijk?
Merkwaardig is wel dat zo goed als alle partijen wel vinden dat de fonction royale moet worden aangepakt. Allicht omdat ze weten wie er op de vorstelijke stoel aan zit te komen: een koning met een missie; dat is altijd gevaarlijk. En gouverner, c’est prévoir. Oef…
Uitzondering op die eensgezindheid: cd&v. Er is geen probleem, zegt Marianne Thyssen. Bij toepassing van het adagium van Jean-Luc Dehaene: we moeten een probleem maar oplossen als het er is. Alleen… Als er één ding is dat Dehaene uitgerekend NIET deed, dan was het wel dat. Nooit iemand geweten die zo vooruitdacht als hij! Dehaene zweeg of zei dat hij er niet mee bezig was, maar deed het wel. Eigenlijk het omgekeerde van Leterme vandaag.
Merkwaardig is trouwens hoe de discussie over de koning zelden zuiver op de graat wordt gevoerd. Het gaat hier om collectieve pirouettendraaierij. Ik heb toppolitici van velerlei kleuren horen zeggen dat ze intellectueel vinden dat macht alleen maar verkozen kan zijn, en niet afhankelijk kan zijn van geboorte, want dat is middeleeuws, en dat ze dus eigenlijk republikein zijn, maar, komt dan telkens, in dit ingewikkelde land… En dan kiezen ze toch maar voor de monarchie.
Alsof er hier geen slimme mensen zijn met onmiskenbare staat van verdienste die voor noord én zuid als staatshoofd aanvaardbaar zijn? Louis Michel? Jean-Luc Dehaene ? Willy Claes? Wilfried Martens? Herman De Croo? Mark Eyskens? Guy Verhofstadt (die in franstalige polls geregeld beter scoort dan in Vlaamse…)? Of Herman Van Rompuy? Als die president kan zijn van Europa, kan die dat niet van België? Of is Van Rompuy een buitenlands staatshoofd?
En als provinciegouverneurs hun partij kunnen afzweren, kan de president dat ook.
Het idee dat wij het enige ingewikkelde land zijn is overigens onjuist en behoorlijk onnozel. En dat ingewikkelde landen er alleen uitkomen met een monarchie nog onnozeler. Het getuigt zelfs van dédain voor een hele serie andere democratieën.
Ik moest er dus aan denken bij Martens in De Zevende Dag. Ik heb veel respect voor wat de man heeft gedaan, maar wie te lang in de politiek zit, en teveel pirouettes heeft gedraaid, krijgt kennelijk een probleem in het hoofd. Om het met een boutade te zeggen: je krijgt daar een staatshoofd van…
Siegfried Bracke
Ondernemerschap
10 maart 2010
Vorige week was ik in Lembeke, een onooglijk dorp in het mooie en gezegende noorden van Oost-Vlaanderen. Ik moest er een filmpje maken in de fabriek van de bekende Lotuskoekjes. Ik heb er veel geleerd.
Terzijde: zo een filmpje, dat duurt in het programma zelf al met al een minuut of vier, maar we zijn daar elke woensdag toch wel een aantal uren mee bezig. (En nadien komt er ook nog een behoorlijk lang stuk montage aan te pas). Waarmee maar gezegd wil zijn dat televisie behoorlijk arbeidsintensief is, maar waarmee vooral gezegd wil zijn dat er tussen twee camerastandpunten of lichtopstellingen of setwissels behoorlijk wat tijd is om met de mensen die je interviewt een babbeltje te doen, om gewoon rond te kijken. Wachten is een belangrijk en onvermijdelijk onderdeel van televisiemaken. Het komt erop aan ook die tijd nuttig te gebruiken.
Mijn gesprekspartner was Matthieu Boone, 63, en CEO van Lotus. Zijn ooms zijn in de jaren dertig van de vorige eeuw met Lotus begonnen. Met een klein speculoosbakkerijtje. Ze hadden ergens gelezen dat de lotusbloem goed en heilzaam was voor ongeveer alles, en vandaar die naam. Vandaag is Lotus een koekjesgigant, met honderden werknemers, bij ons, maar ook in Nederland, Frankrijk, Zweden en Canada, en met verkooppunten in nog een hele reeks andere landen. Een wereldspeler.
Zo een fabriek is altijd indrukwekkend: de geur van koek, en de snelheid waarmee die koekjes worden gemaakt; die verschillende verpakkingen al naar gelang de finale bestemming in een dichte of verre uithoek van de wereld; de nooit ophoudende en bijna fanatieke kwaliteitscontrole, en het waanzinnig nauwlettend in de gaten houden of het ene koekje echt gelijk is aan het andere; en dat alles in een fabriek waar je van de grond kan eten, kraaknet.
En niet te vergeten: de mensen die er werken zien er in de regel vrolijk uit; in hun geval goedgemutst, in alle betekenissen. (Ik las overigens dat de beurskoers van Lotus het de laatste jaren ook goed doet. Beurskoersen kunnen dus ook met waarneembare werkelijkheid van doen hebben…)
Boone is een man die het nog ziet zitten. En in deze sombere tijden doet het altijd goed naar dat soort mensen te luisteren. Al kan ook hij ongelooflijke verhalen vertellen over hoe moeilijk het in Vlaanderen geworden is om te ondernemen. Over de ambtelijke molen die wel bijzonder zwaar en traag is geworden. (Het zegt eigenlijk heel veel dat ook steden en gemeenten steen en been klagen over die regelneverij; ze zijn daar nochtans een en ander gewoon.) Het idee dat bedrijven - hoe groot of hoe klein ook - de bron zijn van alle welvaart, zijn we in de loop van de voorbije decennia kennelijk kwijtgeraakt. Wat tegenwoordig the sense of urgency heet, het gevoel ‘we kunnen zo niet blijven voortdoen’, dat is beslist nog niet overal doorgedrongen. Maar Boone en Lotus doen desalniettemin gewoon voort, met, heel opvallend, liefde voor het vak, liefde voor koekjes; “ik ete nog altijd wrie geren een speculoasekoeksen.”
Boone vertrouwde mij toe dat hij nog één grote wensdroom had. Een nieuwe fabriek? Bijkomende acquisities? Verplichte speculaasdiëten voor de helft van de wereldbevolking?
Boone wil graag nog eens een speculoasekoeksen maken waarvan de hele wereld erkent dat dit écht en zonder enige twijfel het allerbeste speculoasekoeksen is dat ooit is gemaakt. Ze zijn ermee bezig. ’t Es nie gemakkelijk, maar ze zoeken ernaar.
Dit is zo mooi. Er is nog hoop…