Mijn boekenweek
22 februari 2010
Ik heb in de voorbije week veel gelezen: naar jaarlijkse krokusgewoonte, in de zon, meestal onder een parapluutje. En ik lees alleen goede boeken (uit). Ik denk aan Het leven van Albert, de jongste van collega Louis Van Dievel, met daarin een meeslepend verhaal over een onwaarschijnlijk spannend en tegelijk zeer ontroerend mensenleven, en allemaal (of toch heel veel) echt gebeurd.
Ik denk ook aan een aantal hoofdstukken uit het verhelderende A History of Histories van John Burrow. Een boek over geschiedschrijving, en hoe dat vak in de loop van de eeuwen (het begint met Herodotos) is veranderd. Onder meer het hoofdstuk over Pericles heeft mijn kijken op politiek beïnvloed. Net zoals De achterkant van de premier van een andere collega, Kris Hoflack. Gesprekken met acht oud-premiers, uit 1995, en in die zin dubbel interessant. Daar staan gruwelijke waarheden in over vandaag.
Maar ik ben helemaal ondersteboven geraakt van De Stad der Zienden, van de Portugese nobelprijswinnaar Jose Saramago. Hij heeft De Stad der Zienden geschreven op zijn tweeëntachtigste, nu een dikke vijf jaar geleden. En het is een soortement vervolg op zijn De Stad der Blinden, al hoef je niet per se het eerste te hebben gelezen om het volgende te begrijpen.
Ik ben fan van Saramago, omdat hij in staat is vanuit boeiende en op het eerste gezicht vergezochte maatschappelijke hypotheses een geloofwaardig verhaal te bouwen, dat met heel grote stilistische verve en veel oorspronkelijkheid wordt neergeschreven. Bovendien gaan die verhalen altijd over een heel volk (de bewoners van een stad, een streek, een heel land), en dat laat Saramago toe de samenleving te beschrijven, wat in fictie vrij zeldzaam is. Romans gaan in de regel over de individuele expressie van universele maar in oorsprong individuele gevoelens. Niet bij Saramago.
Anders dan bij vele andere romans kan ik bijvoorbeeld over het onnavolgbare Het Verzuim van de Dood nauwelijks nog zeggen wie de hoofdpersonages zijn en wat die doen, maar ik kan wel nog vertellen wat er met een samenleving allemaal gebeurt, als niemand nog dood gaat. Het is een beetje stom om zeggen, maar ik had er nooit lang bij stilgestaan dat maatschappelijke voorzieningen maar kunnen (blijven) draaien als er voldoende mensen zijn die dood gaan. Saramago beschrijft wat voor ravage er wordt aangericht als dat ophoudt: voor de sociale zekerheid, voor pastoors en kerken die op dat moment echt geraakt worden in hun corebusiness, voor verzekeraars, voor ambtenaren, voor - hoeft het gezegd - begrafenisondernemers. De vergrijzing is een serieus probleem, de ‘oneindige’ vergrijzing is een ramp.
Iets gelijkaardigs is er in De Stad der Zienden, wat overigens een wat vreemde vertaling is van de Portugese titel, die eerder iets is als Essay over de Luciditeit. Het verhaal is simpel: bij verkiezingen blijken er 70 % blancostemmen. Vrijwel onmiddellijk besluit de regering de stemming over te doen. (Zoals bij Europese referenda die ‘verkeerd’ uitdraaien. Ik heb ooit wijlen Karel Van Miert heel kwaad gekregen toen ik in Terzake vroeg of na het nipte ja van weet ik nog veel welk land het referendum niet moest worden overgedaan. Maar dit terzijde)
Bij een nieuwe stemming zijn er geen 70 maar 83 % blancostemmen; de partij van het midden haalt 8 %, de partij van rechts ook 8 % en de partij van links 1 %. Waarop de regering er niet beter op vindt dan een geheimzinnige subversieve vijand te verzinnen die de hele blancotoestand zogenaamd zou organiseren, en de staat van beleg uitroept. Maar ook dat helpt niet. Alles gaat gewoon door. Van lieverlee besluiten regering, administratie, politie de stad te verlaten, en legt het leger een écht cordon sanitaire rond de stad, maar zelfs dat werkt niet. Vanuit haar ballingschap verplicht de regering de huisvuildiensten te staken, maar die weigeren. De regering laat een bom ontploffen in een druk station, en er vallen tientallen doden, maar de mensen gaan zelfs daar zeer waardig mee om. Zelfs als blijkt dat er voor de slachtoffers geen kerkdiensten komen, want de kerken durven geen partij te kiezen…
Opvallend, en pijnlijk tegelijk, is de rol van de media. Met uitzondering van twee kleine kranten heulen die mee met de regering. Er is alleen een ‘probleem’ als de regering beslist om op een bepaalde dag (vals) nieuws te verspreiden, en ze beslist dat vanaf zes uur ’s ochtends te doen via de radio. Op dat moment, en alléén dan, dreigt de televisie dwars te gaan liggen, want de televisiemensen willen óók de primeur. Ze krijgen die ook…
Zoals gezegd, ik ben daar helemaal ondersteboven van. Vooral de bladzijden waarin uitvoerig de discussies worden beschreven binnen de regering, zijn zeer impressionant: voor alle grofheden en schendingen van mensenrechten die daar worden bedacht, wordt een legitimering verzonnen binnen de regels van de rechtsstaat. Als er al een minister een andere opvatting heeft (één minister blijkt overigens zelf blanco te hebben gestemd, die van cultuur), dan worden die uit het kabinet verwijderd, en de premier neemt de bevoegdheden probleemloos over. Ook de links-rechts-tegenstelling blijkt totale schijn.
Waarom ben ik daar zo ondersteboven van, heb ik me afgevraagd? Ik vrees dat ik moet antwoorden dat dat van doen heeft met het realiteitsgehalte van een en ander. Helaas…
De financiële crisis
08 februari 2010
Ik beken: in mijn leven is er een moment geweest – lang geleden, en dat heeft toch wel bijna een jaar geduurd – dat ik dacht dat het kapitalisme de bron was van alle kwaad. Naar het schijnt moet dat, dit soort gedachten. Hét punt is, wordt altijd gezegd, is dat je dat niet blijft denken. Dat is dus in orde.
Helaas of gelukkig – daar kom ik nu even niet uit – kwam ik op dezelfde gedachte toen ik in het weekeinde het zeer boeiende opiniestuk las van Koen Schoors over de financiële problemen van Griekenland, en bij uitbreiding van de hele Europese Unie. Ik onthou daaruit dat het bestuur van een land ernstig moet worden genomen, want anders komt er voor iedereen, en dus in de eerste plaats voor de zogeheten gewone man een gigantische rekening. Van ernstig beleid was in Griekenland geen sprake, zo blijkt, en alleen draconische maatregelen in Griekenland zelf kunnen soelaas brengen, ook al zullen die dus de Grieken zeer doen. Niets aan de hand, wat mij betreft, ik kan dat allemaal volgen; ik ben het daar ook mee eens, want het zijn de keuzes van het gezond verstand.
Merkwaardig is wel dat in Griekenland een en ander blijkt getriggered te zijn door speculanten. Die proberen Griekenland uit de eurozone te krijgen. En dan schrijft Schoors, en de professor is in de regel buitengewoon helder: “Daarom verkopen speculanten nu staatsobligaties met geleend geld en gokken ze erop dat ze die later kunnen terugkopen tegen een veel lagere waarde”. Leest u dit aub twee keer; drie keer mag ook.
Ja? We lezen dus dat ze ver-kopen, en daarvoor moeten lenen! Ze verkopen dus iets wat ze (nog) niet hebben!
Het zal zonder twijfel aan mij liggen, maar in mijn, zonder twijfel al te beperkt, wereldbeeld kan je maar lenen, om iets te kopen, en dan wordt er ook altijd voor gezorgd dat er een soortement onderpand is voor die lening. Ik leen geld voor de aankoop van een huis, maar (de waarde van) dat huis zelf zorgt ervoor dat er een garantie is voor diegene die mij dat geld leent. In mijn, zonder twijfel al te beperkt, wereldbeeld kan je ook alleen maar iets verkopen wat je al hebt…
Enig opzoeken en een telefoon met mijn nageslacht leren mij dat ik mij vergis. Wat Schoors beschrijft is juist; de kenners noemen dat shorten. (Het zou een uitstekend trefwoord kunnen zijn voor een volgend vrt-journalistenexamen, eentje dat goedgekeurd door een meerderheid aan juryleden die zelf niet weten waarover het gaat. Maar dit terzijde.
Ik probeer het u uit te leggen. Uiteindelijk mag dit stukje ook enige volksverheffing genereren.
De speculant verkoopt effectief obligaties die hij niet heeft, maar hij belooft die wel over x tijd te leveren. Hij verkoopt die tegen de koers van vandaag, vanuit de overtuiging dat die obligaties over x tijd, het moment dat hij ze effectief koopt om ze te leveren, een stuk goedkoper zullen zijn. Gevolg: winst.
De koper is hij die denkt dat die obligaties over x tijd duurder zullen zijn, en dus koopt die nu al. Ook die denkt een goede zaak te doen.
Maar nu komt het. Je kan je ook verzekeren voor het geval (hier) de Griekse staat de schulden die aan die obligaties verbonden zijn niet meer kan terugbetalen. En wat doet de speculant? Hij koopt een gigantische hoeveelheid verzekeringen. Tegelijk wekt hij daardoor de indruk dat er zeer goede redenen zijn om zich te verzekeren, wekt hij de indruk dat de Griekse staat een onbetrouwbare debiteur is. Gevolg: de koers van de obligaties daalt. Met andere woorden: men veroorzaakt zelf de koersdaling die men beoogt, en de buit is binnen. En onnodig te zeggen: een keer de sneeuwbal rolt, wordt die alsmaar groter. Even onnodig te zeggen dat men op die manier reusachtig veel winst kan maken. Even onnodig te zeggen dat als dat spelletje niet lukt, de verliezen even reusachtig zijn.
En tot zover deze les speculeren voor beginners.
Wat ik mij afvraag, en ik heb al gewaarschuwd voor mijn beperkt wereldbeeld: waarom is dat niet eenvoudigweg verboden? Wie vindt het overigens normaal dat dit soort virtuele spelletjes - met alle wereldwijde gevolgen van dien, denk aan de financiële crisis waarbij een gelijkaardig systeem ontploft is - kunnen worden gespeeld? Welke waarde ligt daaraan ten gronde, tenzij gigantische hebzucht?
Ik denk bij dit soort nieuws altijd terug aan de vroege middeleeuwen, de tijd voor KarelDe Grote. Toen was geld lenen en daarvoor interest vragen, verboden. Dat woeker, en dus zonde.
Het idee was dat je al dik tevreden moest zijn indien je de medemens geld kón lenen…
À propos. Op het hoogtepunt van de financiële crisis is shorten met bankaandelen een tijd lang verboden geweest. Dus toch… Het is kennelijk niet altijd verboden te verbieden…