In memoriam Tuur Van Wallendael (29 sept 1938-18 nov 2009)
23 november 2009
Uitgesproken op zijn afscheids-feest in Mortsel, op 30 augustus 2009.
Kameraden & Andersdenkenden,
Goede kameraad Van Wallendael,
Ik behoor tot het slag mensen dat alleen maar kan zeggen hoe ze over iemand denken of voelen, als er veel volk bij is. Want onder vier ogen doe ik dat niet; ik ben daarvoor te schuw.
In die zin is dit een godsgeschenk, want ik kan dus nu kwijt wat ik je al heel lang had moeten zeggen.
Tuur, je hebt het misschien nooit in de gaten gehad, maar ik heb veel van jou geleerd. In de mate dat het dus in mijn leven fout is gelopen, ben je bijgevolg mee verantwoordelijk. Ook dat moet je wel weten.
Daar bovenop komt dat jij van al mijn leermeesters – want ik heb er méérdere gehad; en ik zeg dat erbij opdat je toch finaal niet hoogmoedig zou worden – van al mijn leermeesters heb jij mij de meest verschillende dingen geleerd. En – dat is mooi – je hebt me dat geleerd zonder ooit les te geven, je deed dat zo maar zonder meer …
In willekeurige volgorde.
Ik heb altijd bewonderd hoe je destijds als Wetstraatjournalist wat er die dag was gebeurd kon vatten in één zinnetje, dat bovendien de verdienste had dat er ook nog toegevoegde waarde in zat. Je gaf de samenvatting plus een invalshoek die ofwel grappig of merkwaardig of verwonderlijk was. Of je wees op een sprekend detail.
Het vinden van de samenvatting én van de toegevoegde waarde, dat kan je alleen, weet ik nu, als je het écht begrepen hebt, als je heel goed weet waarover het gaat. Je kan heel goed, zoals dat tegenwoordig heet, de juiste baseline vinden. En dat kon jij dus al toen wij zelfs nog niet wisten dat dat bestond, een baseline.
Overigens was jouw baseline ook altijd in het Antwerps. En dat is het tweede wat ik van jou heb geleerd: ik adoreer het goed gesproken Antwerps, en dat is – geef toe - voor een Gentenaar niet evident. Maar voor een wereldtaal moeten zelfs Gentenaars nederig het hoofd buigen.
Je spreekt daarenboven ook uitstekend Engels. Je spreekt dus twéé wereldtalen, soms zelfs tegelijk.
Overigens, en geheel terzijde. Van een kruisbestuiving is hier geen sprake geweest. Ook al heb je in de mooiste stad van Vlaanderen gewerkt en gewoond, ook al heb je ook dáár veel vrienden; jouw actieve kennis van het Gents is jammerlijk blijven steken bij jouw eeuwige begroeting ‘moatsej !’ En dan stopt jouw Gents.
En, voor de tweede keer geheel terzijde, ik heb van jou ook dingen proberen overnemen die ik niet goed kon. Vreemd gáán bijvoorbeeld. Want, jij gáát vreemd. Jouw broer Jan heeft dat ook een beetje, maar veel minder uitgesproken.
Toen ik in ons archief op zoek ging naar filmpjes van jou, is me dat echt opgevallen: jij gaat vreemd. Heeft dat te maken met hoe je je benen zet, ik weet het niet; maar om het met Wannes Van de Velde te zeggen: ties dat aa moeder aa zoe gemokt é.
Ik stop met de terzijdes, en zit hiermee weer bij de taal, jóuw taal, het Antwerps, dat ik dus door jouw toedoen heb leren liefhebben, vervolgens met enige ijver geoefend heb, en vandaag durf ik ze zelfs op plaatsen waar men ze minder goed kent, publiek spreken. Dat oefenen is overigens een zaak van imitatie: een zinnetje horen, en dat dan nazeggen. En je hebt me wel 100 van die zinnetjes geleverd.
Zo kan het geen toeval zijn dat ik, maar bijvoorbeeld ook onze kameraad Polspoel, alle namen van Italiaanse gerechten uitspreek met een zwaar Antwerps accent. Dat is Tuur.
Nog zo’n zinnetje, iets wat je ooit hebt gezegd over wijlen professor Leon De Meyer, rector in Gent, en gespecialiseerd in de studie van het spijkerschrift. Over Leon zei je: “die kent zu goe et spakerschrieft dattem het zelfs sprikt”.
Dit is geen willekeurig gekozen voorbeeld. Het scherp en tegelijk mild naar de werkelijkheid kijken, ook dat heb ik van jou geleerd. Jouw omschrijving van de samenleving als een verzameling van – ik citeer – “ienvoudige vetzakken gelak as waa”, dat blijf ik onthouden omdat dat om te beginnen juist is, en in vele opzichten boekdelen spreekt over ons wereldbeeld.
Idem dito als je opmerkte bij het begin van een eenvoudige edoch voedzame maaltijd die we, zoals het journalisten past, meestal niet zélf moesten betalen: “kameroade, socialisme da got over de verdieling van de raakdom, en ze moeten ieverans begiene”.
Dat getuigt van zelfrelativering en zelfspot, waarbij ook, zelfs, met het socialisme mag worden gelachen. Maar tegelijk, en vaak ook binnen het kwartier, en nog altijd aan dezelfde tafel, kan je geweldig luid verontwaardigd zijn over mensen die niet krijgen waar ze recht op hebben, of over anderen, zelfs partijgenoten, die al véél hebben, maar vinden dat ze nóg meer moeten krijgen. Ik heb daar altijd heel veel van opgestoken.
Ik adoreer trouwens jouw verontwaardiging, want ze is echt. Verontwaardiging over de oppervlakkigheid van televisie, van journalistiek, ook dat, maar als het goed is, laat je dat altijd óók wel weten. Verontwaardiging, jaren na datum, over joodse kinderen in jouw kleuterklas die er in de vroege jaren 40 plots niet meer waren.
Ik heb daar allemaal zitten naar luisteren, en dat heeft, geloof het of niet, voor een flink deel mijn kijk op de wereld bepaald.
Ook mijn kijk op de politiek. Ik herinner me jouw constante ergernis over de ruwe politieke zeden, en dat is echt al heel lang geleden, toen dat met andere woorden, anders dan vandaag, absoluut niet de bon ton was.
Dat moet, denk ik, in 88 of 89 geweest zijn. Je reed met een kanjer van een Amerikaanse auto, met aan de binnenkant roodbruine leren zetels. Het was, zei je me, de auto van je vader. We kwamen terug, meen ik me ook te herinneren, van het parlement en we reden naar de vrt.
Je zei toen dat de man/jouw vader aan zijn laatste dagen bezig was…
Dat brengt me twee weken terug naar Nieuwpoort, toen jij, Gui Polspoel en ik uitgebreid hebben getafeld. Het ging toen ook over het einde, over het afscheid, en – heel typerend eigenlijk – dat was heel gevoelig en heel serieus, maar we hebben tegelijk ongelofelijk veel gelachen.
Toen na afloop Gui en ik samen naar de auto gingen, zei onze kameraad Polspoel dat we een afschuwelijk schone les hadden gekregen. Wat mij sterkt in de overtuiging dat ik niet de enige ben die van jou lessen heb geleerd.
Dat was trouwens ook zo toen ik jouw zogeheten afscheidsinterview las in Gazet van Antwerpen. Het ging daar over van alles. Ook over waarom je eigenlijk journalist was geworden. Jouw antwoord was even geniaal als eenvoudig, en jouw woorden waren mij recht uit het hart gegrepen omdat ze ook over mij konden gaan: mijn keuze voor de journalistiek, zei je, was – citaat - “gezien de beperkte mogelijkheden, de ideale oplossing”.
Dat klopt dus helemaal. We zijn, Tuur, in ik weet niet hoeveel betekenissen, broeders, en we gaan dat blijven, wat er vanaf nu ook gebeure.
Nog één ding: een heel dikke merci, en bedankt; bedankt voor alles, dat was heel, heel veel.
Over perversiteit
21 november 2009
Wie zoals ik al enige jaren zijn brood verdient door over ’s lands bestuur te berichten, ziet na enige tijd systemen waar je niet vrolijk van wordt.
Lange tijd heb ik kunnen leven met de wijsheid dat politiek the art of the second best (A propos, van wie komt dat? Plato? Churchill?) is, maar dat geloof ben ik verloren. Het is beslist niet het tweede beste; het is vaak het zevende of achtste beste, indien al niet nog minder.
Nog het ergst is het als je ziet dat in oorsprong goed bedoelde systemen, totaal pervers blijken te werken. Vaak door de kennelijk niet te stuiten greep van bureaucratie en ambtenarij. Ik begin te geloven dat het waar is wat wel eens wordt gezegd: ambtenaren zijn mensen die voor elke oplossing nieuwe problemen bedenken. En wee de samenleving waarin regelneven het voor het zeggen krijgen. Al vrees ik dat die samenleving de onze is.
Het Norbert De Batselier-syndroom
De naam die hierboven staat is een van de schuldigen. En nog het ergst van al is dat de man het heel goed bedoelde. De Batselier was in de eerste helft van de jaren 90 een van de vaandeldragers van de nieuwe politieke cultuur, en hij wou als minister van onder meer Economie en later Milieu, een eind maken aan politieke willekeur. Systemen waarbij je politici en hun dienstbetoon nodig had om van alles te regelen: pensioen, een studiebeurs, een sociale woning, een (bouw)vergunning, de toelating om een bedrijf op te starten, …
Dat moest, zei men toen, geobjectiveerd. Mensen moesten krijgen wat hen toekwam, punt uit, zonder politieke inmenging. En dus zette de politiek een stap terug. In de plaats kwam een reglement, toegepast en gecontroleerd door ambtenaren. Wat dat systeem teweegbrengt, merk je bijna elke dag in het nieuws, zij het meestal in een klein hoekje. Maar ook kleine hoekjes verdienen aandacht.
Zo lees ik van de week dat de burgemeesters van Vlaamse steden en gemeenten ten oorlog trekken tegen de Vlaamse overheid. Aanleiding: de Vlaamse regeldrift. Een huisvestingsproject duurt drie keer zo lang als vroeger; verschillende reglementen, die als maar worden gewijzigd, spreken elkaar tegen; het aantal regels groeit elke dag. Terwijl het Vlaams Parlement – nota bene – vol zit met burgemeesters en schepenen. De Vlaamse regering geeft het bovendien toe: er is nood aan een interne staatshervorming. De oude slogan van Gaston Geens ‘Wat we zelf doen, doen we beter’ blijkt niet langer bruikbaar…
In de laatste Keien van de Wetstraat viel er uit de mond van minister-president Kris Peeters iets gelijkaardigs te noteren. Peeters had het over allerlei plannen die nogal traag op gang kwamen, maar ja, zei hij, dan stuit je op ‘de administratie’. Heel vreemd is dat: de baas die het personeel als hinderpaal beschrijft…
Maar het is niet alleen een Vlaams probleem. Ik lees in De Standaard vorige week dat de federale regering met haar energiekorting voor zelfstandigen een ongezien succes kent. 40.000 mensen hadden er recht op; 82 hebben het door de loodzware en zeer ingewikkelde procedure ook gekregen. Dat is 0,002 % van de doelgroep. Elke organisatie die zo’n resultaat boekt, wordt meteen opgedoekt…
Tenzij – maar nu ben ik echt slecht en perfide – het uitdrukkelijk de bedoeling was: je maakt een energiekorting bekend, je scoort er mee in de media (‘De regering doet iets voor…’), je maakt dat heel ingewikkeld. Gevolg: het kost geen euro, en de positieve coverage is binnen !
Het is naar alle waarschijnlijkheid ongeveer hetzelfde fenomeen dat ervoor zorgt dat de nood aan behoorlijke en betaalbare woningen ontiegelijk groot is (en blijft), maar dat tegelijk meer dan 1000 van die woningen leeg staan. Lijst Dedecker – ere wie ere toekomt – heeft dat aangeklaagd; de Vlaamse regering moest dat toegeven. Er wordt een oplossing gezocht…
Ik stel me voor dat tientallen ambtenaren bezig zijn met zoeken: dat zal weer niet simpel zijn…
Bitter blogje
09 november 2009
Er zijn mensen die 7 (ZEVEN) jaar in het partijbureau zitten van de VLD en 6 (ZES) jaar liberaal minister zijn, en nu plots tot de conclusie komen dat er een probleem is in de partij… Het zijn dezelfde mensen die nu plots vinden dat de partijvoorzitter beter een fulltime job is, want én partijvoorzitter én parlementair én burgemeester, dat is te veel.
Er zijn van die mensen die nu plots vinden dat Guy Verhofstadt, Karel De Gucht en Patrick Dewael de VLD in een wurggreep hebben gehouden, en de partij hebben gebruikt voor hun persoonlijke carrièreplanning. Het zijn dezelfde mensen die nu plots vinden dat Guy Verhofstadt alleen maar wat ideeën de lucht inschoot, maar er vervolgens niets van bakte, niet afwerkte.
Er zijn van die mensen die vinden dat Jaak Gabriëls als VLD-minister totaal ten onrechte is gedumpt. Het zijn dezelfde mensen die nu plots vinden dat in de VLD jarenlang de kilte en de omerta hebben geregeerd, waarbij iedereen zweeg uit vrees de neus te worden afgebeten.
Er zijn van die mensen die toen de partijtop zei dat ze niet inzagen waarom er voorzittersverkiezingen moesten komen, die zwegen. Het zijn diezelfde mensen die nu plots vinden dat die verkiezingen zelfs sense of urgency hebben. De partijtop heeft het gelukkig eerst zelf gezegd…
En dus gaan ze het nu eens flink en fors zeggen, in de krant, open en bloot ! Een oefening in politieke moed, zelfstandig denken en franc-parler om u tegen te zeggen.
Het zijn dezelfde mensen die ook plots vinden – hou u vast - dat Bart Somers de rug had moeten rechten toen hij van Verhofstadt en Dewael minister-president moest worden, en nadien partijvoorzitter. Jaja, u leest goed, Bart Somers had DE RUG MOETEN RECHTEN. Vinden sommigen... over Bart Somers.
Die sommigen zitten dus al 7 (ZEVEN) jaar in het partijbureau en 6 (ZES) jaar in de regering; ze zijn staatssecretaris, minister. Neenee, geen kerstekinderen of naieve, onschuldige lammeren. Maar lieden die het schip van staat besturen. En liberalen, die, zoals bekend, de vrijheid zeer aanbidden.
Ben ik de enige die bij het lezen van dit soort stukjes in de krant bekropen wordt door allerlei uitdrukkingen met het woord wind erin?Met alle winden meewaaien, zijn huik naar de wind hangen, dat een andere wind niet noodzakelijk een frisse wind blijkt te zijn. Windei ook, een ei zonder schaal. Maar wind dus, veel wind, en dat is, zoals we weten, lucht, niet eens gebakken.
Ben ik er trouwens nog eentje vergeten: de wind van voren krijgen. Ik hoop het. Heer, zegen dat soort lieden; als het kan hardhandig. Liberalen verdienen beter.
Siegfried Bracke